Leerling (de(m.);-en; leerlinge (de(v)), 1 iem. die onderwijs krijgt, m.betr.t.zijn of haar leermeester, syn. pupil; – ook als tweede lid in samenst. Als de volgende, waarin het eerste lid een schoolvak, onderwijstype of onderwijsinstelling noemt: basisschoolleerling, vmbo-leerling, mbo-leerling, havo-leerling, atheneumleerling, gymnasiumleerling.

Student (de (m); vgl. -ent, soms, scherts., o.), studente (de (v.)) studens (studerend) 1 iem. die studeert: – (in ’t bijz. die de colleges van een universiteit of van een hogeschool volgt; 2 (Belg.N., w.g.) leerling van een middelbare school 3 iem. die aanleg heeft voor studie of die veel van studeren houdt.